Ten Boer
 

 

uit: Aa, A, van der : Aardrijkskundig
Woordenboek der Nederlanden. 14 delen, Gorinchem, 1839-1851 

gemeente Ten Boer 

Gemeente in Fivelgo, provincie Groningen, arrondisement en kanton Appingedam (1 k. d., 7 m. k., 2 s. d.); palende N. aan de gemeente  Stedum, O. aan Loppersum , Z. aan Slochteren, W. aan Noorddijk.

Zij bevat de dorpen: Ten Boer, Garmerwolde, Thesinge, Lellens, Wittewierum en Woltersum,

en de gehuchten St. Annen, Hemerwolde, Oosterdijkshorn, de Bolte, de Bouwerschap, de Bovenrijge, de Heidenschap, Stuurwolde, Heemwerd, Ten Post, Oldersum, Windeweer, Kroddeburen, de Bloken en Luddeweer,

beslaat eene oppervlakte van 5689 bund 60 v. r. 48 v. elI., en telt 486 h. en ruim 2900 inwoners, die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt, waartoe vooral de kleilanden in het Noordelijke gedeelte dezer gemeente zeer geschikt zijn. Ook bestaat er veel vertier, wegens de doorvaart van schepen langs het Damsterdiep, dat in de lengte de gehele gemeente doorsnijdt, liggende de vier eerstgenoemde dorpen aan den noordkant en de twee laatstgemelde aan den zuidkant van dat water.

De ligging der landerijen is over het geheel laag, inzonderheid onder de dorpen Ten Boer, Garmerwolde, Thesinge en Woltersum, die des winters en ook bij eenen hoogen stand van het water des zomers, door meer dan 20 watermolens moeten worden drooggehouden. Voorts heeft men aan de noordzijde van het diep over het algemeen zeer goede, vaste, vruchtbare klei onder Thesinge vindt men eerst 1-2 palm zwarte, vruchtbare bouwaarde, daaronder op de meeste plaatsen knik[1] of andere klei, ook roodoorn. De grond onder het dorp Lellens en een gedeelte  van het gehucht Kroddeburen, alsmede van Windeweer, is zeer vruchtbaar en van eenen zavelachtigen aard; aan de zuidzijde van het Damsterdiep is de grond veelal lager, zandig, grootendeels veenachtig en daardoor slechter of schraler  en minder vruchtbaar; op welke vlakke drasse gronden, hier en daar, russchen[2] (Juncus effusus) groeijen.

De Hervormden die hier ongeveer 2900 in getal zijn, maken de zes volgende gemeenten uit: Ten-Boer, Garmerwolde, Thesinge, Lellens, Wittewierum en Woltersum, welke hier even zo vele kerken hebhen, wordende elke kerk door ééne Predikant bediend.

De Rooms Katholieken die hier 13 zielen tellen, behooren tot de statie van Bedum. De Evangelisch Luthersen, van welke men er 5 heeft, worden tot de gem. van Groningen gerekend; de Doopsgezinden, die een getal van 8 uit maken, tot die van 't Zandt; en de Israëlieten, wier getal 10 beloopt, tot die van Stedum.

Men heeft in deze gemeente zeven scholen, als twee van de eerste klasse te Garmerwolde en te Thesinge; drie van de tweede klasse te Ten-Boer, te Wittewierum en te Woltersum; en twee van de derde klasse te Lellens, en te St. Annen, welke gezamenlij door een getal van 450 leerlingen bezocht worden.

Het dorp Ten-Boer

Het dorp Ten-Boer, Ten-Bour of Ten-Buur, ligt 2 u. N. 0. van Groningen, 5 u. W. ten Z. van Appingedam, aan den algemenen rijweg; en telt, met de kerkelijk daaronder behoorende gehuchten St. Annen, Hemerwolde, Oosterdijkshorn, de Bolte en de Bouwereschap, 118 h. en 800 inwonders, en zonder deze, 45h. en 330 inwoners.

De Hervormde gemeente van Ten-Boer behoort tot de klassis van Appingedam,  ring van Slochteren, totaal 770 zielen, en heeft  eene ruime, op eene hoogte staande, kerk. In het laatst der vorige eeuw stond hier aan het westeinde en afgezonderd van de kerk, een zware, vierkante toren , die, wetgens bouwvalligheid afgebroken zijnde , vervangen is door eenen kleine, voor ettelijke jaren gebouwden, koepeltoren, op het westeinde der kerk. De eerste, dien wij als Predikant te dezer plaatse vermeld vinden, is geweest Johannes FEITO, welke er in het jaar 1606 het Ieraarsambt bekleedde. Destijds werd de gemeente van Thesinge ook door den predikant van Ten-Boer bediend, hetwelk geduurd heeft tot in het jaar 1641, toen deze beide plaatsen gescheiden werden; om ieder eene afzonderlijke gemeente uit te maken, blijvende diensvolgens de toenmalige Predikant, Theordorus RUDOLPHI, in het vervolg Ten-Boer alleen bedienen. Het patroonaatregt van deze plaats stond vroeger bij de Heeren van de Ommelanden, die het van de Groninger familie DE VALCKE hadden verkregen, en wordt thans, als behoorende aan het Ommelander kantoor, door de Koning uitgeoefend.

De school wordt door een gemiddeld getal van 90 leerlingen bezocht.

Vroeger heeft er in Ten-Boer een aanzienlijk klooster van Benedictijner nonnen gestaan, dat reeds in een charter van 1301 voorkomt, als wordende bestuurd door eenen Abt, doch dat, luidends eenen brief, in het jaar 1455 door den Bisschop van Munster afgegeven, naderhand ineengesmolten werd met dat van Thesinge, in welk laatstgenoemde klooster de nonnen van Ten-Boer overgingen. Van het klooster van Ten-Boer staat, behalve de Iuchtige dorpskerk, ook nog een muur van 30 elI. lengte, terwijI men wil, dat de daar nog aanwezige Grote en Kieine Wachthuizen, thans twee boerenplaatsen, mede aan de kloosterlingen hebben toebehoord. Ook ziet men nabij het dorp eene hooogte of terp, waar men, evenals  in die, waarop de kerk staat, van tijd tot tijd brokken van potten of grafurnen vindt, welke van deksels zijn voorzien geweest. Men ontdekt er, inzonderheid als het sterk heeft geregend, kleine stukjes van verbrande beenderen, zoo als men die, in dezen omtrek, bij  het graven, benevens, asch en houtskool, gevonden heeft, waarom men meent te mogen vaststellen, dat ter dezer plaatse door onze heidensche voorvaderen, de lijken verbrand werden. Nog vindt men in de nabijheid van dit dorp, op twee onderscheidene plaatsen, uitgegraven stukken land, de Tigcheldobben genoemd, waaruit men wil, dat de specie gehaald is, uit welke de de steenen tot bouwing van kerk en tooren gebakken zijn.

Dit dorp maakte eene staande schepperij onder het Scharmer-Zijlvest. Het liep gedeeltelijk onder,  door een dijkbreuk, welk, in den nacht tusschen 31 december 1833 en 1 januari 1834, in den Wolddijk ontstond


[1] Knik is taaie, kalkarme soort van klei, die geen water doorlaat

[2] biezen