|
| Brief van Harm Oosting in Conklin, Michigan aan zijn zus Elizabeth in 't Zandt |
(beschikbaar gesteld door Jan Dijkema)
Enveloppe:
Harm P. Oosting
R.R. no 2
Conklin,
Michigan. U.S.A.
Aan Mejufr. Elizabeth Oosting
‘t Zandt,
Prov. Gron.
Nederland,
Europa.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Gel.Zuster
Elizabeth met uw dochter, Heil!
Nog
nimmer had ik het voorrecht om aan u te schrijven, doch gisteren was ik met
mijne vrouw bij Broeder Jan te Grand Rapids en die liet me een brief lezen
van u en ook een van uw Broeder Jan van Axel.
Nu
had ik misschien nog niet zoo spoedig terug geschreven, was het niet voor
het feit dat ge in uw brief een vraag, of wilt ge een verzoek, aan ons allen
had. En had ik met Jan afgesproken om u over deze zaak te schrijven, en daar
maar geen gras over te laten groeien.
Wat
de zaak zelve aangaat, in betrekking tot het huisje, en dat ge
gaarne zoudt zien, dat wij allen onder volmacht van onze aanspraak zouden
afzien, kunt ge u van onze welwillendheid hiertoe verzekerd houden.
’t Is zoo, we hebben Minne er nog niet over gezien, maar we houden
ons evenzeer verzekerd van zijne gewilligheid in deze zaak.
Nu
ter zake. Zoals ge zeidet moest dit door een Notaris in orde gemaakt worden.
Indien gij nu zorgt dat die het bewuste stuk in orde brengt, klaar voor
ondertekening door ons, dan kunt gij, of den Notaris, het aan mijn adres
sturen, en ik zal zorgen dat al de anderen het ter onderteekening worde
bezorgd, en aan uw adres of aan den Notaris, op
uwe aanwijzing, worde terug gezonden.
Indien
ge terug schrijft, laat me dan eens weten hoe het met het oude huisje is. Is
het nog al in een bewoonbare toestand? Is er nog een hypotheek over? En
hoeveel? Indien ja. Houdt ge er ook nog een winkeltje op na of niet?
Is
Oosterstreek met verloop van tijd ook nog al wat opgebouwd?
Ik
bedoel met nieuwe en betere huizen. Is het nog een doode weg, of is het open
gekomen sinds wij weg waren, tot het vaarwater en zoo naar molenweg? Ik stel
mij alle deze dingen, en plaatsen waar ik mijn jeugd doorgebracht heb nog
zoo levendig voor den geest, alsmede het oude huisje, waar ik eerst toen ik
naar school ging een geruimen tijd met Grootmoeder Betje, of liever
Elizabeth, des nachts heb doorgebracht, om haar in de eenzaamheid gezelschap
te houden, en bij haar verscheiden van deze wereld hebben ouders het vanzelf
zoals ge
weet overgekregen. En ook mede daarom, zou ik niets liever zien, dan dat het
aan u, aan één der nageslachten verbleef.
Ik
was werkelijk blijde eens van u te hooren. We krijgen niet zoo heel vaak
bericht van Nederland, ons geboorteland. Zoo nu en dan krijgen we nog eens
bericht van Martinus Bonnema en Wolterdina van Den Horn, die zoals ge weet
een zuster van mijne vrouw was, alsmede van mijn tegenwoordige vrouw,
Johanna Schoonveld, bij u zeker wel bekend, die heeft nog maar slechts
ongeveer 10 jaren in dit land geweest.
Ik denk het zal ten uwent ook wel heel wat verademing gegeven hebben toen de wereldoorlog ophield. Want, ja, ge waart er zelf niet in, Gode zij dank! Maar ge zat toch als tusschen twee stoelen in den asch.
Evenzeer
was er blijdschap alhier toen het moorden ophield, en duizenden en nogmaals
duizenden, van onze jonge mannen, zijn zoals men dat eens noemde, op het bed
van eer gestorven, en ofschoon we wel
gelooven, dat door tusschenkomst van America, de strijd veel spoediger is
opgehouden, dan zulks het geval zou geweest zijn, indien Europa het zelf het
moeten uitmaken, toch levert het des niettemin een treurige nagedachtenis
op.
Ook één van mijne jongens, nam. Piet, die nog ongetrouwd was, is in Europa geweest, en was een van de ongelukkigen die naar het verre Noorden van Rusland, naar Siberië gezonden werden, om de Bolsjewisten aldaar in toom te houden. Dat was voorzeker een van de meest hopeloze kansen. Vooreerst was de koude bijna ondragelijk. Het voedsel en soms ook de kleeding, vanwege de ontoereikende vervoersmiddelen, was menigmaal onvoldoende. Altijd in diepe sneeuw, met een groote overmacht van Bolsjewisten tegenover hen. Geen wonder dat daar zoo velen, én door den strijd, en door ziekten gebleven zijn. Toch behoorde hij tot degenen, tot de weinigen, die heelshuids weer terug gekomen zijn
Mijn
andere jongen Rhine, was getrouwd, had een vrouw met een kind, en kwam
daarom later, en gelukkig te laat aan orde. Niet één van de jongens der
andere Broeders zijn over den oceaan geweest.
En
nu, reeds een jaar en half na den grooten oorlog, doet men als onwillekeurig
de vraag, Wat is het gevolg? Zijn de natiën er wijzer, beter door
geworden? Hebben de inwoners, toen Gods gerichten op aarde waren,
grechtigheid geleerd? Tijdens den oorlog hoorde men dat in het Godvergetene
Frankrijk de kerken vol stroomden en ook wel van de andere betrokkene
landen, doch hoe nu? Geven de overwinnaars Gode de eer, of erkennen de
overwonnenen Zijne tuchtroede? Weinig hoort men van, indien iets. In plaats
van dat de volkeren zich rustig tot hunne bezigheden zouden neerzetten, is
er een Industriële wereldoorlog zoals nimmer te voren, en ook Nederland is
daarvanniet uitgezonderd.
’t
Is de eene werkstaking na de andere in Europa zoowel als in America.
Door
de telkens verhoogde dagloonen, worden de prijzen der voortbrengselen steeds
opgezweept tot een ongehoorde hoogte, en als ze vandaag hun zin krijgen,
staken ze morgen weer voor meer, want ze worden immer gewaar dat het hun
niet baat, de prijzen stijgen met de loonen. De fabrieken in de steden
betalen zulke fabelachtige loonen, dat men voor het landelijk bedrijf geen
hulp meer krijgen kan.
Denk
eens, een gewoon werkman verdient van 4 tot 6 Dollar per dag. Timmerlieden
en ander ambachtslieden 1 Dollar per uur en meer.
En toch is het als of alles komt in een doorgeboorden buidel. Men hoort nog
niets dan ontevredenheid.
‘k
Ben blij dat ik er om zoo te zeggen, eenigzins buiten sta, omdat ik
op het land ben, dat wil zeggen wat het loon vragen en ontvangen persoonlijk
aangaat, ofschoon de hulp die gehuurd moet worden in den zomer, natuurlijk
dubbel moet betaald worden.
Des winters heb ik geen
hulp noodig, dan doe ik niets dan mijne dieren verzorgen. 2 paarden, zes
beesten, 10 varkens. (.?.)
winter, en
mijn vrouw zorgt voor de ruim 40 Kippen.
Doch ik zal moeten eindigen. Mijne vrouw zegt:
’t Is slapenstijd.
Nu Zuster: Gods besten zegen, naar lichaam en geest, en stuur het bewuste stuk aan: Harm P. Oosting, R.R.2, Conklin, Ott.Co.Mich.